"Vertel me waar je woont en ik vertel je wie je bent." Natuurlijk is het niet zo eenvoudig. Als kind woon je meestal gewoon bij je ouders en heb je helemaal niet zoveel invloed op waar je woont. Het volgende is wel een feit: wonen heeft veel te maken met je eigen leven. Waar je woont of naartoe verhuist, of je blijft waar je bent of je verandert van woonplaats - dat heeft te maken met je werk, je inkomen en je eigen voorkeuren.
Huisvesting is een centrale basisbehoefte van mensen en tegelijkertijd een zeer individuele keuze. Tot het begin van de industrialisatie was huisvesting in de Euregio Maas-Rijn altijd sterk verweven met de landbouw. Met de (arbeids)immigratie naar de regio nam het bevolkingsaantal aanzienlijk toe en moesten er op korte termijn veel woonriumte worden gecreëerd. Er ontstonden duidelijke verschillen tussen wonen in de stad en op het land. Andere ontwikkelingen die van belang waren voor de woningbouw waren de Tweede Wereldoorlog met zijn grote verwoestingen en de toename van individueel vervoer. Deze specifieke aspecten vormen de ankers van dit hoofdstuk over ‘Wonen in de stad en op het land’.
Basisconcepten
De inhoud van hoofdstuk 3.1 richt zich op het menselijk geografisch niveau en heeft met name betrekking op regionaal niveau, bij sommige voorbeelden ook op lokaal niveau. De drie basisconcepten (functie, proces, structuur) kunnen worden toegepast bij dit hoofdstuk. Zo laat het enerzijds zien in welke mate huisvesting invloed heeft op de natuurlijke ruimte (structuur) en dus ook duidelijk de functie heeft veranderd van agrarisch gebruikte of natuurlijke grond naar vestigingsgebied. Daarnaast worden centrale historische gebeurtenissen besproken als uitgangspunt voor de veranderingsprocessen. In dit hoofdstuk wordt woonruimte vooral onderzocht vanuit het perspectief van ruimte als container, waarbij relationele constellaties en perceptuele ruimte in sommige gebieden niet duidelijk kunnen worden afgebakend.
Doelen
Het doel van dit hoofdstuk is dat leerlingen het huidige gebruik en de verdeling van woonruimte begrijpen als gevolg van historische ontwikkeling, materiële omstandigheden en individuele keuzes. Ze moeten nadenken over hun eigen behoeften en middelen en deze linken aan hun woonsituatie.
Competenties
De volgende competenties worden bevorderd:
Relaties tussen mens en omgeving analyseren: leerlingen onderzoeken ontwikkelingen en problemen in ruimtes door te kijken naar de interactie van natuurlijke geografische en menselijke geografische factoren (bijv. woonvormen).
Kennis van geografisch relevante informatiebronnen, -vormen en -strategieën: bijvoorbeeld grafieken evalueren, structuren in de ruimte herkennen.
In staat zijn om informatie te evalueren voor het oplossen van geografische vraagstukken: bijvoorbeeld het oplossen van woningtekorten in de tijd van de industrialisatie.
Het vermogen om geografische feiten te bespreken en tot een gefundeerde mening te komen: met name het bekijken, classificeren en evalueren van de huidige huisvestings- en onroerendgoedkosten in de Euregio Maas-Rijn tegen de achtergrond van de huidige ontwikkelingen.
Het vermogen om na te denken over acties met betrekking tot hun natuurlijke en sociaal-ruimtelijke effecten: bijvoorbeeld migratiebewegingen als gevolg van huur- en koopprijzen van onroerend goed.
Structuur van het hoofdstuk
Het eerste deel (elementen 1-28) van het hoofdstuk schetst de veranderingen in woonvormen en -structuren in de Euregio Maas-Rijn sinds het begin van de industrialisatie. Opkomende stedelijke woonvormen worden beschreven en er wordt verwezen naar het voortbestaan van 'traditionele' landelijke structuren. Verder wordt de toenemende ontkoppeling van wonen en werken en het daardoor naar elkaar toegroeien van stedelijke en landelijke woonmilieus behandeld, vooral in de Euregio Maas-Rijn.
In het tweede deel van het hoofdstuk worden leerlingen gevraagd om concrete woonsituaties te analyseren als gevolg van een combinatie van behoeften en middelen. Regionale verschillen in de Euregio Maas-Rijn, bijvoorbeeld tussen stedelijk - landelijk, duur - goedkoop, goed of slecht bereikbaar, worden geïntroduceerd en moeten door de leerlingen worden onderzocht, in vraag worden gesteld en worden gelinkt aan hun eigen behoeften. (Elementen 29–38).
De opdracht is bedoeld als inleiding voor de leerlingen om kort na te denken over de verschillen tussen stedelijke en landelijke gebieden en om zichzelf te situeren. In de 1-sterrenmodus wordt dit ondersteund door verschillende vragen, in de 3-sterrenmodus moet het Guinness-citaat worden gebruikt om de reflectie uit te breiden naar de onderwerpen als voordelen van de verschillende levensgebieden en behoeften van mensen in verschillende levensfasen. De mogelijke antwoorden daarop zijn volledig optioneel.
2
Inleidende opdracht
Stad of platteland?
Zou je jouw woonplaats omschrijven als stedelijk of landelijk? Motiveer je antwoord en noem drie kenmerken waarop je je beslissing zou baseren.
Inleidende opdracht
Stad of platteland?
Beantwoord de volgende vragen met een woord of een getal:
Hoe groot is jouw woonplaats? Zoek het aantal inwoners op.
Is er veel natuur in je buurt?
Is er veel verkeer in je buurt?
Hoeveel mensen in jouw straat ken jij (of je ouders) bij hun voornaam?
Hoeveel winkels zijn gemakkelijk te voet bereikbaar?
Zou je jouw woonplaats omschrijven als stedelijk of landelijk? Motiveer je antwoord.
Inleidende opdracht
Stad of platteland?
Zou je jouw woonplaats omschrijven als stedelijk of landelijk? Motiveer je antwoord.
“Het is een droom van de moderne mens om van het platteland naar de stad te verhuizen, zodat hij later de kans krijgt om van de stad terug naar het platteland te verhuizen.” - Citaat van acteur Sir Alec Guinness.
Leg uit wat Guinness hiermee bedoelt.
Heeft hij gelijk? Neem een weloverwogen en beargumenteerd standpunt in over de uitspraak van Guinness.
3
Opdracht
Woonhuizen in de Euregio Maas-Rijn
Sleep de woningen naar de juiste landen en controleer je resultaten. Tip: Er liggen twee foto's per land op de stapel.
1. Wonen verandert de wereld
4
Mensen wonen waar ze de kost kunnen verdienen. Dat is nu zo en dat was duizenden jaren geleden ook al zo. In onze geschiedenis was dit voor de langste tijd op het platteland. Steden bestaan in Europa en in de huidige Euregio Maas-Rijn al sinds de Romeinse tijd en er werden ook nieuwe steden opgericht tijdens de Middeleeuwen, maar in die eeuwen bleven de steden relatief klein (vanuit het standpunt van vandaag). De meerderheid van de bevolking woonde namelijk niet hier, maar op het platteland. Dit veranderde pas met het begin van de industriële revolutie.
de kost verdienen: het geld dat nodig is om de belangrijkste zaken te betalen (zoals voedsel, kleding, huisvesting).
industriële revolutie: begon in de 18e eeuw in Europa, door wetenschappelijke uitvindingen kwam er steeds meer industrie. Veel dingen veranderden: heel wat producten konden met machines in fabrieken worden gemaakt en dit had ook een invloed op de plaats waar mensen woonden en werkten. Omdat deze verandering heel snel ging, spreken we van een industriële 'revolutie' of industrialisatie.
Met het begin van de industriële revolutie vanaf het einde van de 18e eeuw verhuisden steeds meer mensen van het platteland naar de stad. Dit leidde tot grote veranderingen: Nieuwe steden schoten als paddenstoelen uit de grond, de bestaande steden groeiden snel en de manier van leven veranderde radicaal. De Euregio Maas-Rijn was een van de kernregio's van de industriële revolutie in Europa (lees meer hierover in hoofdstuk 4.3). Daarom zijn deze veranderingen hier bijzonder goed te volgen.
Een kaart van Heerlen in 1822, in de rode rechthoek is de St Pancratiuskerk met het dorpscentrum te zien. Deze historische kaart is 90 graden naar rechts gedraaid. Het noorden ligt hier dus rechts, het westen bovenaan, enz.
Een kaart van Heerlen vandaag de dag, in de rode rechthoek is de St. Pancratiuskerk te zien. Voor een betere vergelijkbaarheid is deze kaart 90 graden naar rechts gedraaid.
De opdracht is eenvoudiger op te lossen bij het voorbeeld van Heerlen dan bij het voorbeeld van Luik. In het eerste voorbeeld zijn beide plattegronden goed met elkaar te vergelijken en valt op dat de bebouwde oppervlakte meer dan 20 keer zo groot is geworden. In het voorbeeld van Luik moeten verschillende delen vergeleken worden, vooral tussen de eerste en tweede afbeelding, en het verdwijnen van delen van de rivierloop maakt de oriëntatie moeilijker. Als de leerlingen hier te veel moeite mee hebben, kan je hierop wijzen of kan je de Pont des Arches aanbevelen als oriëntatiepunt. Met deze tip moeten de leerlingen in staat zijn om een sterke toename in bebouwd gebied op te merken tussen de eerste beelden (zo’n verdrievoudiging) en slechts kleine veranderingen tussen de laatste beelden.
In de 3-sterrenmodus moeten de leerlingen overgaan van alleen een schatting naar een gedetailleerde beschrijving van de veranderingen die hebben plaatsgevonden. De tweede opdracht dient vooral om de leerlingen erop te wijzen dat stedelijke groei economische gevolgen heeft en dat je als grondeigenaar heel rijk kunt worden in dit proces.
9
Opdracht
Groeiende steden
Kies een van de voorbeelden: Heerlen of Luik. Vergelijk de kaarten en beschrijf de zichtbare veranderingen.
Hoeveel is de bebouwde oppervlakte toegenomen (schatting)?
Zijn er herkenbare nieuwe openbare gebouwen bijgekomen? Welke?
Zoek en benoem belangrijke wegen en spoorwegen die zijn aangelegd evenals rivieren waarvan het verloop is veranderd.
Opdracht
Groeiende steden
Kies een van de voorbeelden: Heerlen of Luik. Vergelijk de kaarten en schat met hoeveel de bebouwde oppervlakte is toegenomen tussen de eerste en de laatste foto (bijvoorbeeld met de helft/het dubbele/het viervoudige ...).
Vergelijk jullie schattingen in de klas.
Opdracht
Groeiende steden
Schrijf het verslag van een tijdreiziger. Stel je voor dat iemand uit het jaar 1750 (Luik) of 1822 (Heerlen) met een tijdmachine naar het heden reist en de kans krijgt om zijn/haar familie in het verleden hierover te vertellen.
Welke veranderingen zou hij/zij opmerken? Wat zou hij/zij de moeite waard vinden om over te vertellen?
Laten we aannemen dat de familie wel wat rijkdom had. Welk advies over wonen en investeren zou de tijdreiziger aan zijn/haar familie geven voor hun toekomst? Waar zouden ze best onroerend goed kopen in 1750/1822, waar zouden ze naartoe moeten verhuizen? Motiveer je advies.
Info voor docenten
Over de volgende opdracht
Het is mogelijk dat leerlingen uit kleinere steden hulp nodig hebben bij deze opdracht, omdat de demografische gegevens vaak niet zo gemakkelijk te vinden zijn. In dat geval kunt u helpen bij het onderzoek of kan de klas samen een grotere stad in de buurt kiezen waar alle leerlingen onderzoek naar moeten doen.
Taalondersteuning bij element 9
Hulp bij het formuleren van zinnen
Als je de bebouwde kom wilt beschrijven, kun je deze zinnen gebruiken:
Tussen de jaren ... en ... is de oppervlakte van de stad ... verdubbeld/verdrievoudigd/... /vertienvoudigd.
Openbare gebouwen waar je naar kunt zoeken zijn bijvoorbeeld: het gemeentehuis, het postkantoor, de bibliotheek, het station, het stadsmuseum, ...
Als je de veranderingen van een rivier wilt beschrijven, kun je deze zin gebruiken:
De rivier werd ... (plaatsbeschrijving) rechtgetrokken/drooggelegd/omgeleid.
10
Opdracht
De ontwikkeling in je woonplaats
Onderzoek de historische ontwikkeling van de bevolking in je woonplaats of een naburig dorp.
Beschrijf de bevolkingsontwikkeling in je eigen woorden.
Kun je de redenen achterhalen waarom de bevolking op bepaalde momenten sterk/merkbaar is gestegen/gedaald?
Opdracht
De ontwikkeling in je woonplaats
Onderzoek de historische ontwikkeling van de bevolking in je woonplaats of een naburig dorp.
Kies zo mogelijk een plaats met een eigen Wikipedia-pagina en zoek daar naar informatie over de bevolking en bevolkingsontwikkeling.
Vaak is dergelijke informatie voorzien van voetnoten en links die je naar de bron van de gegevens leiden.
Als je geen bruikbare gegevens voor jouw plaats kunt vinden, kies dan een iets grotere naburige plaats.
Beschrijf de bevolkingsontwikkeling in je eigen woorden.
Opdracht
De ontwikkeling in je woonplaats
Onderzoek de historische ontwikkeling van de bevolking in je woonplaats. Zoek info online of gebruik andere bronnen (boeken, stadsmuseum, gemeentehuis, enz.).
Beschrijf de bevolkingsontwikkeling in je eigen woorden.
Kun je achterhalen waarom de bevolking op bepaalde momenten steeg of daalde?
Taalondersteuning voor element 10
Hulp bij woordenschat en zinsopbouw
voetnoot: een nummer in superscript in de tekst dat verwijst naar een uitleg onderaan de pagina die met hetzelfde nummer is aangeduid.
bron: in dit geval het materiaal waaruit je bepaalde informatie of gegevens hebt gehaald.
Als je de bevolkingsontwikkeling wilt beschrijven, kun je deze formuleringen gebruiken:
(sterk) gestegen
(sterk) gedaald
constant/gelijk gebleven
schommelt tussen ... en ...
Verandering van wonen, verandering van leven
11
De industriële revolutie heeft niet alleen de look van onze steden radicaal veranderd, maar ook de manier waarop we wonen en denken over wonen.
Verschillen in grootte: De landelijke woning is aanzienlijk groter en bevat meer dan alleen pure woonruimte. De grote poorten wijzen op opslagruimte, schuur, stal en werkplaatsen, die allemaal deel uitmaken van de woning. De stedelijke woning bestaat uit twee kamers en kan nauwelijks voor meer worden gebruikt dan slapen, hygiëne en voedselbereiding.
Verschillen in het aantal personen: Het landelijke voorbeeld wordt bewoond door ten minste één grote familie en hun boerderijdieren. Mogelijk kunnen er ook mensen worden geïdentificeerd die niet tot de familie behoren, zoals boerenknechten of dienstmeiden. Het stedelijke voorbeeld is typisch voor het klassieke, kleine gezin.
13
Opdracht
Beschrijf de veranderingen in de twee grafieken hierboven. Houd rekening met de achtergrond en voorgrond van de afbeeldingen. Gebruik ook de methoden uit hoofdstuk 5.3 'Foto's onderzoeken'.
Denk na over welke mensen in de twee grafieken zijn afgebeeld en wat hun relatie tot elkaar was.
Het land verdwijnt niet!
14
Wanneer de geschiedenis van de industrialisatie wordt beschreven als een geschiedenis van verstedelijking, koomt het vaak over alsof dorpen en het plattelandsleven in de 19e eeuw zijn verdwenen. Dit is natuurlijk niet waar. Terwijl de steden groeiden, bleven de dorpen natuurlijk bestaan. En natuurlijk bleven de woonvormen daar ook bestaan, en ze bestaan vandaag nog steeds.
verstedelijking: steeds meer mensen die verhuizen van het platteland naar de steden. De steden die al bestaan worden steeds groter en zelfs kleine steden groeien uit tot grote steden.
Woonvormen: De manieren waarop mensen kunnen wonen (bijv. een gedeeld appartement, dorpen met meerdere generaties of een eenkamerwoning).
Het belangrijkste doel van landelijke woon- en vestigingsvormen is het samenbrengen van het werk in de landbouw en de woonbehoefte. Omdat landbouw veel plaats nodig heeft, moeten landelijke woningen aan zeer specifieke eisen voldoen.
De huizen zijn groter
Landelijk wonen is nooit alleen maar wonen. In traditionele landelijke gebouwen is er naast het woongedeelte altijd een werkgedeelte. Soms is dit 'slechts' een werkplaats of opslagruimte, soms zijn het complete stallen en schuren die aan het woongedeelte vastzitten.
De groei van het dorp is beperkt
Een dorp waarin de meerderheid van de bevolking in de landbouw werkt, kan maar beperkt groeien. Dit komt omdat het 'woondorp' (de gebouwen dus) altijd een aanzienlijk groter deel landbouwgrond (tuinen, akkers, velden, weilanden) omvat. Dit omringt het dorp en kan meestal niet zomaar worden uitgebreid.
Kaart van een zogenaamd 'straatdorp' - de gebouwen staan in een rij langs een straat, de landbouwgrond 'ligt' erboven en eronder.
2. De arbeiderswijk
17
Snel woonruimte creëren voor veel mensen! Dit klinkt als een politieke eis van vandaag, maar het was vooral een uitdaging voor de architecten tijdens de industrialisatie. De oplossingen hiervoor varieerden van regio tot regio en waren vaak door cultuur beïnvloed. Terwijl in veel steden zogenaamde huurkazernes werden opgericht, werden in de huidige Euregio Maas-Rijn vooral straten en wijken met rijtjeshuizen en soms vrijstaande huizen gebouwd. Het volgende principe was daarbij zeer belangrijk: Tijd is geld - de arbeiderswijk moest dicht bij de bijbehorende fabriek liggen, zodat er weinig tijd verloren ging aan het woon-werkverkeer. Omdat dergelijke arbeiderswijken vaak grote delen van de stedelijke bevolking huisvestten, zijn ze vandaag de dag nog steeds typerend voor de look van onze steden.
Steden hebben vaak eeuwenoude, historisch ontwikkelde structuren en deze hebben altijd iets te maken gehad met de rijkdom van de bevolking. Mensen die het zich kunnen veroorloven, bouwen hun huizen in een mooie omgeving. Mensen die geen keus hebben, verhuizen naar een omgeving waar het goedkoop is.
In steden lagen de goedkope, arme wijken vaak langs rivieren. Dit was vooral omdat steden langs een rivier het smerigst waren en het ergst stonken. Voordat er rioleringen werden aangelegd, werd al het afval en de uitwerpselen van de stad via de rivieren afgevoerd. Bovendien vestigden stinkende ambachten, zoals leerlooierijen of slachthuizen, zich ook langs de rivieren. Met de industrialisatie kwamen ook de fabrieken, die de rivieren gebruikten als transportwegen en voor hun afvalwater.
De rijke inwoners vestigden zich daarom liever niet in de buurt van de rivieren. De meest populaire locaties waren op hellingen en heuvels. Van daaruit had men niet alleen een 'royaal' uitzicht over de stad. Het was ook gemakkelijker om aan de stank van de stad te ontsnappen.
Rond 1850 werden in alle mijnbouwregio's mijnen en fabrieken opgericht, ook in de Euregio Maas-Rijn, die een grote behoefte aan arbeidskrachten had. De Euregio Maas-Rijn was - zoals beschreven - tot dan toe een overwegend agrarisch gebied. Daardoor werden arbeiders uit de hele regio aangeworven, met als gevolg een groot tekort aan woningen in de nog kleine steden. De bedrijven moesten daarom in korte tijd woningen creëren om arbeiders aan te trekken en te behouden. Daarom begonnen ze met het leggen van de fundamenten van (mijnwerkers)wijken. In de 19e eeuw bestonden deze meestal uit zeer eenvoudige rijtjeshuizen, die de tegenslagen van het sociale leven verlichtten.
§PD2/5 -
Eisden
Aan het begin van de 20e eeuw werden arbeiderswijken op een meer unieke en ruime wijze ingetekend en ontworpen.
§PDBYSA3/5 -
Eisden
Bovendien werden sociale voorzieningen zoals kleuterscholen, huishoudscholen, wasserijen en bibliotheken in de wijken geïntegreerd. Daarnaast had elke woning een tuin om het voor de arbeiders, die vaak uit landbouwgebieden werden gerekruteerd, gemakkelijker te maken om zich in het stadsleven te integreren. In de tuinen werden gewassen verbouwd en werd vaak ook wel een varken gehouden.
Een voorbeeld in de regio is de mijnwerkerswijk Beersdal in Heerlen. Rond 1900 openden de gebroeders Honigmann daar de steenkoolmijn Oranje Nassau I. Ze rekruteerden arbeiders uit andere regio's om in de mijn te werken. Zo werden dan in de directe omgeving van de mijn de Huskenkolonie (242 wooneenheden), de Vrank (100 wooneenheden) en Beersdal (296 wooneenheden) gebouwd. Met de uitbreiding van Heerlen werd de arbeiderswijk Beersdal in het stadsgebied geïntegreerd. De wooneenheden zijn tegenwoordig nog steeds bewaard gebleven (zie Google Street View - Amstelstraat 7, Heerlen).
Vanaf de jaren 1960 nam de vraag naar woningen in mijnwerkerswijken af, deels door de kolen- en staalcrisis en deels door de beschikbaarheid van nieuwere, modernere woningen. Momenteel is er echter weer veel vraag naar de woonwijken. De combinatie van veel groen, vertrouwde buren en gemoderniseerde woningen spreekt veel mensen aan.
Info voor docenten
Over de volgende opdracht
Aan de hand van de kaart kun je zien dat elk van de zwarte cirkels een mijnwerkerswijk voorstelt en dat de grootte van de cirkels informatie geeft over het aantal woningen in de wijk. De grootte varieert van minder dan 100 (bijvoorbeeld Beverlo-Dorp) tot meer dan 500 (bijvoorbeeld Kolderbos).
Taalondersteuning bij element 20
Hulp bij de woordenschat
21
Opdracht
Mijnwerkerswijken
Beschrijf de kaart in de galerij hierboven. Wat zie je erop?
Kies een van de afgebeelde mijnwerkerswijken en doe er onderzoek naar.
Wanneer is de wijk gebouwd?
Is de wijk vandaag de dag nog steeds bewoond?
Opdracht
Mijnwerkerswijken
Beschrijf de kaart in de galerij hierboven. Wat zie je erop?
Wat betekent de grootte van de punten? Om daar achter te komen, kan je een online vertaler zoals DeepL gebruiken.
Opdracht
Mijnwerkerswijken
Beschrijf de kaart in de galerij hierboven. Wat zie je erop?
Kies een van de afgebeelde mijnwerkerswijken en doe er onderzoek naar.
Wanneer is de wijk gebouwd?
Bij welke mijn/fabriek hoorde de wijk?
Voor hoeveel mensen was de wijk ontworpen?
Is de wijk vandaag de dag nog steeds bewoond?
Opdracht
Mijnwerkerswijken
Zoek een foto van de wijk op het internet en upload deze hier.
3. Groeiende mobiliteit en wonen aan de rand van de stad
22
In de 20e eeuw bleven middelgrote en grote steden groeien, omdat hier nog steeds de meeste verdienmogelijkheden te vinden waren. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog veranderde de aard van de bouwkundige groei, vooral omdat de mensen mobieler werden. Auto's, wegen en bus- en tramverbindingen werden steeds talrijker, waardoor het mogelijk werd om werken en wonen nog verder van elkaar los te koppelen. Je hoefde niet langer in hetzelfde deel van de stad te wonen en te werken, je kon aan de andere kant van de stad of net buiten de stad wonen en naar het werk 'pendelen'. Als gevolg daarvan konden hele wijken nu alleen als woongebied worden gebouwd en aan de andere kant konden hele stedelijke gebieden alleen voor werkdoeleinden worden geboud. Er werden industriële en commerciële gebieden aangelegd en de stadscentra werden pure 'dienstenregio's' voor winkels, kantoren en gastronomie.
4. Werken en wonen koppelen zich meer los van elkaar, maar niet voor iedereen
24
De groeiende mobiliteit en inmiddels ook de digitalisering ontkoppelen de woonplaats steeds meer van de werkplek, maar alleen voor sommige mensen. Terwijl eeuwenlang de vraag "Waar woon ik?" altijd nauw verbonden was met de vraag "Waar kan ik mijn kost verdienen?", spelen tegenwoordig vaak andere overwegingen een belangrijke rol: Grondprijzen en huurprijzen, sociale omgeving, cultureel aanbod, milieu en omgeving. Tegenwoordig kan iemand op het platteland wonen en in de stad werken, en omgekeerd. Dat geldt echter niet voor iedereen. Wie in ploegendienst moet werken en zich geen eigen auto kan veroorloven, zal toch moeten proberen om dicht bij zijn of haar werk te wonen.
Het fenomeen dat de hogere middenklasse de steden verlaat om huizen te bouwen in de buitenwijken en dorpen van het omringende platteland of om bestaande huizen te kopen en uit te breiden, wordt in Duitsland Speckgürtelbildung (spekgordelvorming) genoemd. Het spek is het rijkere deel van de bevolking en de gordel is de ring die hun woningen vormen rond de stedelijke centra. Dit komt omdat de middenklasse niet helemaal afgesloten wil zijn van het commerciële, gastronomische en culturele aanbod van de steden en meestal ook nog in de steden werkt. Daarom worden alleen die plaatsen die op relatief korte rijafstand van de volgende grote stad liggen en goede verbindingen met het openbaar vervoer hebben ‘spekgordelsteden’.
In de Euregio Maas-Rijn is deze spekgordelvorming soms ook internationaal. De spekgordel van Aken ligt bijvoorbeeld gedeeltelijk in België.
Bevolkingsontwikkeling van Aken. De afname aan het einde van de Tweede Wereldoorlog is het gevolg van een bijna volledige evacuatie van de stad, de sprong na 1970 is het gevolg van verschillende inlijvingen.
Op basis van de diagrammen moet het mogelijk zijn om voor elke stad het volgende te zien:
Een sterke toename van de bevolking tot het midden van de 20e eeuw.
Een afvlakking van deze toename vanaf 1980, en in het voorbeeld van Luik zelfs een afname van de bevolking.
In de 3-sterrenmodus moet de toename worden verklaard door de instroom in de steden bij het begin van de industrialisatie. De afvlakking kan op zijn beurt worden verklaard door de toegenomen mobiliteit van de bevolking en de daarmee gepaard gaande afname van de behoefte om in de stad te wonen om er te werken.
28
Opdracht
Bevolkingsontwikkeling
Kies een van de vier staafdiagrammen in de galerij hierboven. Beschrijf het verloop van het diagram in je eigen woorden. Beschrijf twee ontwikkelingsfasen:
tot 1970
na 1970
Beschrijf de verschillen tussen de twee fasen.
Opdracht
Bevolkingsontwikkeling
Kies een van de vier staafdiagrammen in de galerij hierboven. Beschrijf het diagram in je eigen woorden:
Wat wordt er getoond?
Welke veranderingen kun je zien?
Opdracht
Bevolkingsontwikkeling
Kies een van de vier staafdiagrammen in de galerij hierboven. Beschrijf het verloop van het diagram in je eigen woorden. Beschrijf twee ontwikkelingsfasen:
tot 1970 en na 1970
Beschrijf de verschillen tussen de twee fasen.
Leg deze verschillen uit aan de hand van de ontwikkelingen die in het hoofdstuk zijn beschreven.
Taalondersteuning voor element 28
Hulp bij het formuleren van zinnen
Om een staafdiagram te beschrijven, kun je de volgende zinnen gebruiken:
Hier wordt ... weergegeven.
Het is duidelijk te zien dat ...
In het jaar... kan je zien dat ...
In het jaar... zie je de meeste ...
stijgt/zakt (sterk)
Blijft constant
Springt omhoog/omlaag
verschillen:
meer/minder dan ...
in tegenstelling tot/anders dan bij ...
Bij A is het ... terwijl bij B...
5. Wonen in de Euregio Maas-Rijn vandaag
29
Galerij: Voorbeelden van woningen in stedelijke en landelijke gebieden
In de Euregio Maas-Rijn zijn er zeer verschillende woonvormen, die zich, zoals we hierboven hebben gezien, op zeer verschillende manieren hebben ontwikkeld. Voor al deze woonvormen gelden echter enkele wetmatigheden.
Wonen en werken De meeste mensen moeten voor hun dagelijks leven geld verdienen. Dit beïnvloedt hun keuze van waar ze willen wonen. Er zijn nog steeds veel beroepen die elke dag op een bepaalde plaats moeten worden uitgevoerd (bijvoorbeeld arts, onderwijzer of buschauffeur).
Wonen en prijzen Woonruimte is een product in onze marktgerichte samenleving. Een persoon moet het zich kunnen veroorloven. Voor mensen onder een bepaald inkomensniveau is wonen in bepaalde regio's uitgesloten omdat het gewoon te duur is.
Wonen en vrije tijd Verschillende mensen hebben verschillende noden op het vlak van de omgeving waarin ze wonen, bijvoorbeeld cultureel aanbod, natuur, sociale relaties, rust, consumptiemogelijkheden. Vaak moet er een compromis gesloten worden tussen de verschillende behoeften (bijvoorbeeld rust en consumptie).
wetmatigheid: een regel of patroon dat voor meerdere dingen geldt.
product: iets dat verhandeld of geruild wordt.
inkomensniveau: hoeveel iemand verdient.
consumptiemogelijkheid: de toegankelijkheid van consumptiegoederen, zoals restaurants, bioscopen, winkels, openbaar vervoer, ...
Verschillende vrijetijdsactiviteiten
32
Info voor docenten
Over de volgende opdracht
Begeleid door de vragen in de subkoppen, moeten de leerlingen zich bewust worden van het web van behoeften dat aan de basis ligt van een woonkeuze en nadenken over hun eigen behoeften in deze context. In de 3-sterrenmodus moet de onderzoeksopdracht aanvankelijk open en zonder monetaire beperkingen worden uitgevoerd. Als dit aspect niet door de leerlingen zelf wordt behandeld ("ik kan het me niet veroorloven", "ik heb het gekozen omdat het relatief goedkoop is"), kan het in de discussie worden aangevoerd door specifieke vragen te stellen ("Denk je dat je over 5 jaar zo zult wonen?").
33
Opdracht
Waar wil je wonen?
Wat zijn jouw voorkeuren wat betreft je woonplaats? Wat vind je belangrijk, wat vind je minder belangrijk?
Sociale omgeving (welke: vrienden, familie in de buurt, regelmatig nieuwe mensen ontmoeten ...?)
Goede vervoersverbindingen (welke: busverbinding op regelmatige tijdstippen naar de naburige stad of hogesnelheidstrein op regelmatige tijdstippen naar de metropolen?)
Leg op basis van jouw bovenstaande voorkeuren uit of en waarom je tevreden/ontevreden bent met jouw huidige woonplaats.
Opdracht
Waar wil je wonen?
Als je op een dag jouw eigen woonruimte kiest, waar moet die dan komen?
Dichtbij of verder weg?
Liever in een stad, in een kleine stad of in een dorp?
Motiveer je antwoorden.
Opdracht
Waar wil je wonen?
Wat zijn je voorkeuren wat betreft jouw woonplaats? Wat vind je belangrijk, wat vind je minder belangrijk?
Sociale omgeving (welke: vrienden, familie in de buurt, regelmatig nieuwe mensen ontmoeten ...?)
Goede vervoersverbindingen (welke: busverbinding op regelmatige tijdstippen naar de naburige stad of hogesnelheidstrein op regelmatige tijdstippen naar de metropolen?)
Toekomstige onderwijs- en opleidingsmogelijkheden (opleidingsbedrijven, scholen, universiteiten)
Leg op basis van jouw bovenstaande voorkeuren uit of en waarom je tevreden/ontevreden bent met jouw huidige woonplaats.
Zoek online naar een appartement, een huis, een kamer in een gedeelde flat die een goede toekomstige woonplek voor je zou zijn nadat je het huis van je ouders verlaat. Plaats een link en leg je keuze uit.
Vergelijk jullie resultaten in de klas.
6. Werken met de Woonmonitor
34
De 'Woonmonitor' van de Euregio Maas-Rijn is een website en een uitstekende bron van informatie over wonen in de Euregio Maas-Rijn. We zullen nu aan het einde van het hoofdstuk met deze informatiebron werken om vragen over wonen in de Euregio Maas-Rijn uit te werken en te beantwoorden.
7/8: Soms kan het gebeuren dat de kaart alleen in het grijs verschijnt. Dit betekent dat er geen gegevens beschikbaar zijn voor de geselecteerde regio.
8/8: In het dropdownmenu ‘Jaar kiezen’ kun je selecteren welke gegevens je uit welk jaar wilt ophalen.
Info voor docenten
Over de volgende opdracht
Het doel voor alle leerlingen in alle sterrenmodi is om te oefenen met de Woonmonitor, om informatie uit deze complexe bron te verkrijgen en deze toe te passen binnen de Euregio Maas-Rijn. Vanaf de 2-sterrenmodus moeten leerlingen de informatie van verschillende kaarten met elkaar in verband brengen en zo veronderstelde causale verbanden kritisch onderzoeken (bijvoorbeeld, hoe meer inkomen, hoe meer woonruimte). De antwoorden kunnen per regio verschillen.
36
Opdracht
Wonen en geld
Open de website van de Woonmonitor in een nieuw tabblad. Selecteer vervolgens 'Bevolking & Huishoudens (Vraag)' in het menu aan de linkerkant en 'Beschikbaar inkomen' in het submenu van je land.
Open de website van de Woonmonitor in een ander tabblad. Selecteer dan 'Woningen (aanbod)' in het linkermenu en vervolgens 'Woonruimte per inwoner' in het submenu.
Zoek je eigen regio op beide kaarten en beschrijf deze aan de hand van de gegevens.
Hebben de mensen een bovengemiddeld/ondergemiddeld inkomen?
Hebben de mensen een bovengemiddeld/ondergemiddeld veel woonruimte?
Kan er een verband tussen inkomen en woonruimte worden afgeleid uit de informatie op beide kaarten?
Zo ja, welke?
Zo nee, waarom niet?
Opdracht
Woonruimte
Open de website van de Woonmonitor. Selecteer dan 'Woningen (aanbod)' in het linkermenu en vervolgens 'Woonruimte per inwoner' in het submenu.
Zoek je eigen regio op de kaart en beschrijf deze aan de hand van de gegevens.
Hoeveel woonruimte hebben mensen gemiddeld?
Hebben de mensen een bovengemiddeld/ondergemiddeld veel woonruimte?
Opdracht
Wonen en geld
Open de website van de Woonmonitor in een nieuw tabblad. Selecteer vervolgens 'Bevolking & Huishoudens (Vraag)' in het menu aan de linkerkant en 'Beschikbaar inkomen' in het submenu van je land.
Open de website van de Woonmonitor in een ander tabblad. Selecteer dan 'Woningen (aanbod)' in het linkermenu en vervolgens 'Woonruimte per inwoner' in het submenu.
Zoek je eigen regio op beide kaarten en beschrijf deze aan de hand van de gegevens.
Hebben de mensen een bovengemiddeld/ondergemiddeld inkomen?
Hebben de mensen een bovengemiddeld/ondergemiddeld veel woonruimte?
Kan er een verband tussen inkomen en woonruimte worden afgeleid uit de informatie op beide kaarten?
Zo ja, welke?
Zo nee, waarom niet?
In Box 25 wordt beweerd dat veel rijkere inwoners van Aken huizen kopen en bouwen in buurland België. Kan deze bewering worden geverifieerd aan de hand van de kaarten in de Woonmonitor?
Zo ja, hoe en wat is het resultaat?
Zo nee, welke gegevens zijn er nodig om dit te verifiëren?
Taalondersteuning voor element 36
Tips
Vind je het moeilijk om de uitleg in de andere taal te begrijpen? Je kunt ook onderzoek doen in je moedertaal. Op veel websites kun je gewoon de taal selecteren.
Als je aantekeningen maakt, doe dat dan eerst in de taal waarin je onderzoek doet. Zoek vervolgens de juiste woorden in de doeltaal op. Ook daarbij kunnen woordenboeken je helpen (bijvoorbeeld Linguee, dict.cc, DeepL).
37
Info voor docenten
Over de volgende opdracht
In de laatste opdracht dienen leerlingen de invloed van behoeften, schaarste en regionale verschillen op de keuze van een woning samen te bekijken. De voorbeelden zijn zo gekozen dat ze een zo groot mogelijke verscheidenheid aan combinaties van deze factoren bieden. Afhankelijk van de klas is het heel goed mogelijk dat deze factoren al heel divers zijn in de opdracht in element 33. In dat geval zouden de fictieve voorbeelden hierboven ook weggelaten kunnen worden en zouden de leerlingen hun eigen situatie voor een woononderzoek via de Woonmonitor kunnen gebruiken.
38
Eindopdracht
Kies een van de hierboven getoonde fictieve personen en voer voor hem of haar een 'woononderzoek' uit in de Euregio Maas-Rijn.
Verzamel eerst de behoeften en voorkeuren van de persoon.
Verzamel dan de beperkingen die voortvloeien uit de persoonlijke situatie voor het zoeken naar een woning.
Beoordeel op basis hiervan of de persoon de voorkeur geeft aan landelijk of stedelijk wonen.
Ga nu op zoek naar een plek in de Euregio Maas-Rijn die het beste past bij de behoeften en beperkingen van de persoon. Gebruik de kaarten van de Woonmonitor als uitgangspunt, maar benut ook andere informatie. Motiveer je keuze.
Eindopdracht
Kies een van de hierboven getoonde fictieve personen en voer voor hem of haar een 'woononderzoek' uit in de Euregio Maas-Rijn.
Verzamel de behoeften van de persoon. Wat hebben ze nodig in hun woonplaats?
Beoordeel of de persoon de voorkeur geeft aan landelijk of stedelijk wonen. Motiveer je antwoord.
Eindopdracht
Kies een van de hierboven getoonde fictieve personen en voer voor hem of haar een 'woononderzoek' uit in de Euregio Maas-Rijn.
Verzamel de behoeften van de persoon.
Verzamel dan de beperkingen die voortvloeien uit de persoonlijke situatie voor het zoeken naar een woning.
Beoordeel op basis hiervan of de persoon de voorkeur geeft aan landelijk of stedelijk wonen.
Zoek nu een regio in de Euregio Maas-Rijn die het beste paste bij de behoeften en beperkingen van je persoon. Gebruik de kaarten van de Woonmonitor als uitgangspunt, maar benut ook andere informatie. Motiveer je keuze.
Zoek online een woning-, appartement- of vastgoedportaal met aanbiedingen voor de regio van je keuze. Selecteer een geschikt aanbod voor jouw persoon en plaats die link hieronder. Motiveer je keuze.
Taalondersteuning voor element 38
Hulp bij de woordenschat
behoeften: dingen of voorwaarden die een persoon nodig heeft om zich goed te voelen.
beperkingen: voorwaarden of criteria die een persoon heeft over iets, die de keuze beperken.
39
Blik in de toekomst
Ontwikkeling van nederzettingen langs het spoor
Door de ontwikkeling van nederzettingen te concentreren bij treinstations wordt een duurzamere stedelijke structuur gecreëerd. Het doel is om compacte, dichtbebouwde en functioneel gemengde steden en wijken met een hoge levenskwaliteit te creëren. Het doel is niet alleen om de groei van steden en regio's beter te beheren, maar ook om onder andere het grondgebruik en het autoverkeer te verminderen. Het ruimtelijke strategieproject Zuid-Limburg heeft dit principe toegepast op het station van Sittard als voorbeeld.
Partner: RWTH Aachen – Leerstoel Stedenbouw en Ontwerp | REICHER HAASE ASSOZIIERTE | Maurer United Architects
Beluister de bovenstaande tekst als audio§PD
Galerij: Ontwikkeling van nederzettingen langs het spoor
§PD1/2 -
Mogelijke nederzettingsontwikkeling bij het station van Sittard
§PD2/2 -
Stations als toekomstige ontwikkelingspunten in de Euregio